Een selectie interviews uit de SF Terra

Wil je op de hoogte blijven van de laatste nieuwtjes over sciencefiction, fantasy en horror? Bij SF Terra vind je dit en nog veel meer!
Voor 27 euro en 50 cent per jaar ben je al lid. Je ontvangt dan 6x per jaar het blad SF Terra.
Elke 3e zaterdag van de maand is er een contactavond in Amsterdam.
SF Terra 171
Buitenaardse wezens, losbandige dieren in een poppenhuid, zombies, moorddadige lesbiennes en spoken. De Nieuw-Zeelander Peter Jackson liet ze achtereenvolgens opdraven in de eerste vijf speelfilms die hij maakte: Bad Taste, Meet the Feebles, Braindead, Heavenly Creatures en The Frighteners. Dat lijstje werd onlangs uitgebreid met hobbits, orcs, ringwraiths, enten, magiërs, elfen en nog wat andere wonderlijke verschijningen. Het moge klip en klaar zijn: we hebben het hier over bewoners van Middle-Earth, de wereld waarin The Lord of the Rings gesitueerd is.
In maart 1999 bezocht Jackson het XVIIe Brussels Internationaal Festival van de Fantastische Film (BIFFF) ter gelegenheid van een retrospectief dat men er aan zijn werk gewijd had. In het Brusselse sprak ik met deze sympathieke filmmaker, die op dat moment druk doende was met de preproductie van de Lord of the Rings-trilogie. Ter actualisering zijn Jacksons uitspraken aangevuld met materiaal dat filmdistributeur A-Film ons verschafte.

Jackson werd geboren op 31 oktober 1961 en groeide op in Pukerua Bay, een kustplaatsje ten westen van Wellington. Met de Super 8-camera van zijn ouders maakte hij op 8-jarige leeftijd al (korte) films. Door zijn bewondering voor de film King Kong uit 1933, de stop-motion animatie van Ray Harryhausen, James Bond-films en tv-series als The Thunderbirds en Monty Python’s Flying Circus liet hij in zijn amateurwerk regelmatig monsters en ruimteschepen verschijnen, en experimenteerde hij volop met stop-motion en andere visuele effecten.
Op 17-jarige leeftijd ging hij van school om zijn geluk in de Nieuw-Zeelandse filmindustrie te gaan beproeven. Toen dat op niets uitliep, ging hij als leerling in het maken van fotogravures aan de slag bij The Evening Post, een krant uit Wellington. In die tijd begon hij aan zijn eerste langspeelfilm (op Super 8), de vampiergeschiedenis Curse of the Gravewalker. Toen hij in 1983 voor $ 250,= een tweedehandse 16 mm-camera, een Bolex, op de kop tikte, besloot hij om achter voornoemde film, waarvan reeds een uur opgenomen was, een punt te zetten. Om zijn nieuwe camera te testen, maakte hij een sf-komedie van 10 minuten, Roast of the Day. Door almaar scènes toe te voegen nam de lengte in 3 jaar tijd met 65 minuten toe. Hierna mocht hij op kosten van de New Zealand Film Commission de film voltooien. Tot dat moment had Jackson alles uit eigen zak betaald.
In deze met zwarte humor volgestouwde rolprent, hertiteld als Bad Taste, komt een buitenaardse invasiemacht op Aarde mensenvlees inslaan voor, geloof het of niet, een intergalactische fast-foodketen!
Door bemiddeling van een in de filmindustrie werkzame vriend van Jackson werd Bad Taste in 1988 waarachtig vertoond op het filmfestival van Cannes – en met succes! Aan 30 landen werd Bad Taste verkocht en ontpopte zich door de uitzinnige humor en simplistische, maar daardoor juist hoogst vermakelijke effecten (een beetje à la Troma) tot een regelrecht cultfenomeen.
Doet het zien van Bad Taste vermoeden dat de sf-films uit de jaren ’50 met bologige aliens hiervoor model gestaan hebben, niets blijkt verder van de waarheid te liggen. “Een flink deel van Bad Taste is, grappig genoeg, geënt op The Texas Chainsaw Massacre”, ontvouwt Jackson. “Ik herinner me nog goed dat toen ik The Texas Chainsaw Massacre zag, ik tal van ideeën voor Bad Taste kreeg. Toch is er niet echt een onderling verband aan te wijzen. In beide gevallen gaat het over het eten van mensenvlees, dat wel, maar verder gaat de connectie niet.”
In 1989 verscheen van Jackson de opvolger, Meet the Feebles, een ranzige muzikale parodie met dieren, uitgebeeld door poppen. Deed die film al het nodige stof opwaaien, nog vele malen heftiger (lees: bloederiger) ging het er 3 jaar later aan toe in de zombieparodie Braindead. Hoe kwam hij ertoe om zo’n extravagant gore-spektakel als Braindead te maken? “Ik hou nu eenmaal van splatterfilms”, verklaart de Nieuw-Zeelander. “Dat genre ligt op het moment jammer genoeg zo goed als op zijn gat. In de beginjaren van mijn filmcarrière, toen ik Bad Taste tot en met Braindead maakte, liet ik me beïnvloeden door het werk van George Romero en Stuart Gordon. Ik vond het opwindend om naar films als Re-Animator, Evil Dead en Evil Dead 2 te kijken en vervolgens zelf iets vergelijkbaars te maken. Braindead bestaat alleen maar omdat ik een zombiefan ben. Ik zag Evil Dead 2 en Re-Animator en zei tegen mezelf: ‘Ik wil een zombiefilm maken.’ Dáárom werd Braindead gemaakt.”
Met zijn eerste drie films verwierf Jackson binnen het fantastische genre naam, erkenning en fans. Maar ook op mainstreamvlak bleek hij zijn mannetje te staan, want in 1994 werd zijn eersteling binnen dit kader, Heavenly Creatures, meteen een enorm succes. De rolprent was gebaseerd op het waargebeurde verhaal van twee tienermeisjes wier innige relatie in 1954 tot de moord op één van hun moeders leidde. Dit met surrealistische droombeelden doorwezen drama werd wereldwijd overladen met prijzen. Ook kreeg de film een Oscar-nominatie voor het beste scenario, geschreven door Jackson en zijn levensgezellin Frances Walsh.
In 1996 kwam Jackson met The Frighteners, een horrorfilm met humoristische inslag rond het uitdrijven van spoken; zoiets als Ghostbusters, maar dan anders. Ook was Jackson mederegisseur van de in hetzelfde jaar uitgebrachte (fake-)documentaire Forgotten Silver, die op menig filmfestival een hit was. Het ging hier om het levensverhaal van Colin McKenzie, een vergeten filmpionier die al in 1908 een geluidsfilm en in 1911 een kleurenfilm gemaakt zou hebben. In eigen land wisten de makers hiermee de helft van alle kijkers voor het lapje te houden.

In de beginjaren van zijn filmcarrière liep Jackson rond met plannen voor Flubberhead, een epische, door allerhande vreemde wezens bevolkte fantasyfilm in de stijl van The Lord of the Rings. Het door hem hooggewaardeerde boek van Tolkien zélf verfilmen, hoe graag hij dat ook had gewild, zat er niet in: daarvoor was de special effects-technologie eenvoudigweg nog niet ver genoeg gevorderd. Omstreeks 1994 kwam daar verandering in. Toen had de filmtechnologie een punt bereikt waarop deze de legendes en landschappen waarvan Tolkien gedroomd had naar Jacksons idee aan zou moeten kunnen zonder afbreuk te doen aan ‘s mans briljante verbeeldingskracht. Toen niemand die enorme uitdaging op zich nam, besloot Jackson om zelf de – $ 350 miljoen kostende – koe maar bij de horens te vatten.
Voor de massale gevechtsscènes die in de filmtrilogie voorkomen kon Jackson beschikken over onder meer heuse soldaten van het Nieuw-Zeelandse leger. Hoe kreeg hij dat voor elkaar? “Wel, het feit dat de drie films zo’n $ 200 miljoen in de Nieuw-Zeelandse economie zouden pompen, was natuurlijk iets wat de regering meteen rechtop deed zitten”, glimlacht de cineast. “Vandaar dat de premier kwam kijken waar we mee bezig waren. Toen we haar rondleidden, vroeg ze: ‘Is er iets waarmee wij jullie kunnen helpen?’ Geld kon de regering ons echter niet geven. Dat zou trouwens ook niet erg gepast zijn geweest, omdat de films door een Amerikaanse filmstudio werden gefinancierd. Omdat we nog figuranten voor de gevechtsscènes nodig hadden en echte soldaten, getraind als ze zijn, daarvoor perfect zou zijn, vroeg ik haar: ‘Bestaat er een mogelijkheid om gebruik te maken van het leger?’ En jawel hoor, dat was te regelen.
Voor ons was inzet van echte militairen verreweg de beste manier om de gevechtsscènes op te nemen. Je gebuikt er een paar honderd van en verveelvoudigt ze vervolgens met de computer om je gevechten er zodanig uit te laten zien alsof er duizenden aan deelnemen. In ons geval ging het hierbij om vijftig- tot zestigduizend personen. Bij dergelijke aantallen is het niet meer te doen om met uitsluitend mensen van vlees te werken.
Daarnaast hebben we enkele jaren gewerkt aan de ontwikkeling van software waarmee we, door gebruik te maken van ‘computersoldaten’, zéér spectaculaire gevechten tot stand kunnen brengen. De slimmigheid hierachter is, dat al deze soldaatjes in staat zijn om zélf te denken. Er komt zelfs geen animatiewerk aan te pas. Een druk op de knop is letterlijk voldoende om de computer de digitale soldaten op te dragen, zelf te gaan denken. Vervolgens gaan ze met elkaar het gevecht aan: met speren, zwaarden, pijl en boog of wat voor wapen dan ook waarmee je ze hebt leren vechten. Je ziet het gewoon voor je ogen gebeuren; bijsturing is overbodig.”
Maar wat nu als Nieuw-Zeeland aangevallen was ten tijde van de opnamen met de echte soldaten? In joligheid uitbarstend: “Dan hadden we ze verkleed als orcs naar het front gestuurd! Met rubber zwaarden! Daarmee zouden ze de zwaarbewapende vijand wel eens even mores geleerd hebben!”
Tijdens de opnamen van The Lord of the Rings waren er mensen die vonden dat Jackson dichter bij het project stond dan “menselijk” voor mogelijk werd gehouden. “De acteurs noemden me vaak een hobbit”, zo geeft hij toe. “Dat zal wel een grap zijn, maar om eerlijk te zijn spreekt de levensstijl van een hobbit – lekker eten en een gemakkelijke stoel bij het haardvuur – me wel aan! Zeker nadat ik drie films in één keer gedraaid heb.”



Zie voor Peter Jackson's filmografie de website www.imdb.com