Klik op onderstaande link voor SF Terra op Facebook: 

https://www.facebook.com/PRSFTerra/?fref=ts

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rick Baker ontmaskerd

De koning der apen bestaat. Hij is 50 jaar, heeft de Amerikaanse nationaliteit en kan een ongemeen dreigende blik op zijn gezicht toveren. Nee, ik heb dan niet over iemand die zich als Tarzan voordoet, maar over grimeur en special effects-expert Rick Baker, die vanwege de vele films met apen waarop hij zijn stempel heeft gedrukt voornoemde titel dubbel en dwars verdient.



Haast niet meer dan logisch is het dan ook, dat voor de remake van Planet of the Apes regisseur Tim Burton hém in de arm nam om – letterlijk en figuurlijk – het gezicht te bepalen van de talloze apen die daarin voor het voetlicht komen. Gezien de immensiteit en complexiteit van deze productie geeft Baker hiermee een visitekaartje af dat als het ware met goud bedrukt is. Bovendien bood deze rolprent hem de kans om te laten zien hoe de gelaatstrekken van apen er wérkelijk uitzien en hoe deze dieren hun gelaatsspieren wérkelijk bewegen. Want dáár schortte het volgens hem nogal aan in de oude Planet of the Apes-films.

Twee jaar geleden was Baker te gast op het Brussels Internationaal Festival van de Fantastische Film (BIFFF) vanwege de vertoning van Mighty Joe Young, eveneens een remake en eveneens een apenfilm, zij het dat hierin alles om slechts één (loei van een) aap draait. Daar sprak ik de grimeur, special effects-tovenaar, kunstenaar, acteur en producent die in deze sympathieke, rap van de tongriem gesneden man verenigd zijn.

In de ban van apen

Baker werd geboren op 8 december 1950 in Binghamton, New York, maar groeide op in Covina, Californië. Door zijn voorliefde voor horrorfilms ging hij reeds op 10-jarige leeftijd, puur voor de lol, in de weer met grimeerwerk en enkele jaren later met filmtrucages.

Op zijn 18e lukte het hem om van zijn hobby zijn werk te maken. In die beginjaren werkte hij onder meer als assistent van zijn grote voorbeeld, de legendarische grimeur Dick Smith. Zo creëerde Baker als voorbereiding op Smiths grimeerwerk voor The Exorcist (1973) de demonische tronie die Linda Blair zich daarin zou aanmeten. Daartoe "bewerkte" hij het gezicht van zijn eigen vrouw, Elaine. Zijn eega deed in die periode veelvuldig dienst als zijn model.

Zijn debuut als volwaardig filmgrimeur maakte Baker met de Z-film Octaman (1971). Hiervoor ontwierp hij à raison van $ 1.000,= de titelfiguur, een kruising is tussen een mens en een octopus die onder invloed van radioactieve straling ontstaan is. In de film was te zien hoe in opdracht van een circusdirecteur alles in het werk wordt gesteld om deze potentiële publiekstrekker te vangen.

Bakers volgende filmavontuur was de eveneens met beperkte middelen gemaakte horrorparodie Schlock (1971) van de indertijd vrijwel even jonge John Landis. Bij deze film was Baker de creatieve kracht achter de Schlockthropus, een aap die de "missing link" moest voorstellen. Landis zelf was het die tijdens de drie zware weken die de opnamen vergden Bakers "apenpakje" droeg. In de jaren die volgden bundelden Landis en Baker hun krachten opnieuw bij The Kentucky Fried Movie (1977), An American Werewolf in London (1981) en Coming to America (1988). Daarnaast maakte Baker een bliksemoptreden – als drugsdealer – in Landis’ misdaadkomedie Into the Night (1985).

Wederom op de apentoer ging hij met de al evenzeer met weinig geld gemaakte film The Thing with Two Heads (1972). Daarin speelden zich allerlei vreemde taferelen af nadat het hoofd van een blanke fatsoensrakker getransplanteerd is op het lichaam van een zwarte man. Voor dit curieuze werkje had Baker het – door hem gedragen – pak en het masker van een gorilla met twee koppen vervaardigd. Ook had hij een inbreng in de special effects. Bovendien was hij er zelf even in te zien: als politieman. Laatstgenoemd feit is in die zin tamelijk bijzonder te noemen, omdat in latere films waarin hij optrad zijn gezicht meestal verborgen bleef achter een masker of laag grime.

Hoe is Bakers fascinatie voor apen eigenlijk ontstaan? Baker: "Doordat ik opgroeide voor een tv-toestel, raakte ik gefascineerd door grimeerwerk. Ik behoor tot één van de eerste generaties die in de kinderjaren kennismaakte met ‘het kastje’, weet je. Ik hield van sciencefiction-, horror- en fantasyfilms, en werd gegrepen door de monsters en andere wezens daarin. Toen ik een jaar of 10 was, zei ik tegen mezelf: ‘Dát is wat ik met mijn leven wil doen: monsters maken.’ Ik hield ervan om mensen voor het lapje te houden met wat ik maakte. Dat lukt je als 10-jarige niet door je te vermommen als [het wezen van] Frankenstein. Daarom pakte ik het anders aan. Zo bracht een keer een nepjaap op één van mijn handen aan. Toen ik met die hand bij mijn moeder aankwam, dacht zij dat ik écht verwond was. Ik maakte in die periode een ‘blood and guts’-fase door en kreeg de respons die ik wenste. Dus het ging níet van: ‘O, wat schattig, Rick is verkleed als Frankenstein!’, maar: ‘O, God, Rick bloedt als een rund!’ Alle kinderen uit de buurt bakte ik dergelijke poetsen, met als gevolg dat ik niet meer met hen mocht spelen, omdat ik ‘de vreemde jongen van de straat’ was en hun ouders de stuipen op het lijf joeg.

Vandaar dat ik op zoek ging naar iets min of meer monsterlijks waarmee ik mensen voor het lapje kon houden én dat er tegelijkertijd realistisch uitzag. Toen kwam ik uit bij een gorilla. Hoe meer ik in me in deze dieren ging verdiepen, des te meer het me duidelijk werd hoe verkeerd mijn beeld ervan altijd was geweest. Zo kwam ik erachter dat gorilla’s door hun verschijning weliswaar monsterlijk overkomen, maar dat het in feite juist heel zachtaardige dieren zijn. Zo raakte ik gefascineerd door apen én door de gedachte, dat je met grimeertechnieken deze dieren op overtuigende wijze zou kunnen reproduceren. Dus stelde ik me ten doel om de ultieme gorilla te creëren. Dat leverde door de jaren heen resultaten op waar ik zelden écht tevreden over was. Totdat ik Joe [voor Mighty Joe Young] maakte. De oorspronkelijke Mighty Joe Young [uit 1949] is altijd al één van mijn favoriete films geweest. Daarom kón ik het aanbod om aan de nieuwe versie mee te werken gewoonweg niet afslaan."
Zwetend naar de top

Voor de horrorfilm It’s Alive! (1974) van Larry Cohen was Baker verantwoordelijk voor de vormgeving van "it" uit de titel: een tot moordzuchtig gedrochtje verworden baby met een groot hoofd, bologen en vlijmscherpe tanden. Ook verleende hij zijn medewerking aan de twee vervolgen op deze cultfilm, It Lives Again (1978) en It’s Alive III: Island of the Alive (1987).

Maar het eerste echt grote werk dat op Baker afkwam, diende zich aan in de vorm van de titelfiguur uit de $ 24 miljoen kostende remake van King Kong uit 1976. Terwijl Bakers driekoppige team aan de constructie van een gorillapak werkte, ontwikkelde het twintig personen tellende team van de Italiaan Carlo Rambaldi een elektronisch bestuurbare gorillapop van 12 m lang. Maar omdat Rambaldi’s pop amper naar behoren werkte en zijn team er niet in slaagde om er op tijd een werkbaar geheel van te maken, was het eind van het liedje dat slechts één scène daarmee in de film gemonteerd. Voor alle andere scènes werd gewerkt met Bakers pak. De man in dat pak was trouwens óók Baker. Daarmee bombardeerde hij zich welbeschouwd tot hoofdrolspeler nummer 1 – al was daar in de lijst met castleden niets van te bespeuren. Overigens oogde en bewoog de reuzenaap uiteindelijk niet zoals hij dat graag gewild had, omdat de bobo’s in de filmploeg het beest er nu eenmaal iets anders uit wilden laten zien…

Met het dag in, dag uit, soms wel 14 uur lang, rondlopen in het pak had Baker zich wel wat op de hals gehaald. Baker: "Ik moest het pak de hele dag, met uitzondering van de lunchpauze, aan houden. Het dragen van zo’n pak is echt geen lolletje, hoor. [Lachend:] Je moet eigenlijk wel gek zijn om het te willen doen. Ik had me voorgenomen om als drager van het pak niet te gaan klagen, en dat deed ik dan ook niet. Helaas werd daar misbruik van gemaakt… ’s Morgens trok ik het pak steeds in alle vroegte aan, maar moest meermaals wel 4 uur wachten voordat ik eindelijk eens gefilmd werd! En al die tijd moest ik ook nog speciale, harde contactlenzen dragen. Ik zat echt gevangen in het pak. Dat was in de tijd dat er nog uitputtend gebruik werd gemaakt van een blue screen. Dat is een fotografisch proces, geen digitaal proces. Daarom was er ontzettend veel licht voor nodig. Het was zo ongelooflijk heet in het pak wanneer die lampen op mij schenen, dat ik aan het eind van de dag, puur door vochtverlies, 5 pond minder woog.

Uiteindelijk kreeg ik, om het mij wat aangenamer te maken, een met airconditioning uitgerust hokje dat wel iets van een kleedkamer weg had. Omdat het daarin niet onprettig toeven was, raakte ik een paar keer zowaar in een soort staat van meditatie. Terwijl ik daar zo genoeglijk zat, realiseerde ik me soms ineens: ‘Hé, het is opvallend stil, zeg.’ Dan stapte ik uit mijn hok om te gaan kijken waar iedereen was. En wat bleek dan? Dat ze waren gaan lunchen zónder mij eerst te bevrijden uit dat fucking gorillapak! ‘Hé, kan iemand mij hier uit helpen!’ riep ik dan. Zélf kon ik me namelijk niet van dat pak verlossen…

Een grappig moment deed zich voor met de opnamen voor een scène waarin King Kong van het ene naar het andere gebouw van het World Trade Center moest springen. In de studio moest hiertoe van één platform naar een ander gesprongen worden. Maar toen zei ik: ‘Daar begin ik niet aan.’ Dus stopten ze een stuntman in het pak. Een grote, macho stuntman. Hij sloeg compleet op tilt, amper een minuut nadat hij het aangetrokken had! [Grinnikend:] Hij huilde gewoon! ‘Haal me er uit! Haal me uit dit ding!’ jankte hij."

In één van de meest geprezen sf-films aller tijden, Star Wars, had Baker ook een aandeel. Deze opdracht vergaarde hij doordat in een zeer laat stadium van de productie hoofdgrimeur Stuart Freeborn ernstig ziek werd. Op dat moment was Baker druk doende met de (kleinschalige) horrorfilm The Incredible Melting Man, maar het lukte hem tóch nog om een bijdrage te leveren aan de enige Star Wars-scène waarvoor hij benaderd werd, eentje die zich in een bar afspeelt. Hiervoor creëerde zijn team 35 kleurrijke aliens. Bovendien kroop Baker, ook al stond dat niet op de titelrol, in de huid van een paar van deze figuren.



Sindsdien heeft Baker zijn tanden – of liever: handen – gezet in vrijwel uitsluitend grote tot overweldigend grote producties. Zo was hij van de partij bij o.a. Greystoke: The Legend of Tarzan, Harry and the Hendersons, Gorillas in the Mist, Ed Wood, Wolf, Batman Forever, The Nutty Professor (plus vervolg), Men in Black en The Grinch. Op dit moment is zijn naam gelieerd aan twee in voorbereiding zijnde stripadaptaties: Hellboy (2002) en The Incredible Hulk (2003).

Ook voorzag hij de wereldberoemde videoclip bij Michael Jacksons song Thriller (1983) van zijn signatuur. In deze "mini-musical", à propos, verschijnt Baker zelf als een zombie wiens arm eraf valt.
Bijna op het verkeerde pad

Als grimeur maak je soms de meest rare dingen mee. Zo ook Baker. "Een keer vroeg iemand John Landis of hij iemand kende die vrij was en thuis was in grimeerwerk, waarop hij naar mij werd doorverwezen. Ik kreeg een adres waar ik moest zijn voor deze opdracht en reed daar naartoe. Op dat adres bevond zich een aftands pand waar duidelijk al heel lang geen onderhoud op was gepleegd. Vandaar dat ik dacht dat dit een vergissing moest zijn. Maar ik liep desalniettemin naar de deur en klopte aan. Twee kerels deden open en leidden me naar binnen. Daar stonden een sofa, een tv en een stereo-installatie – verder niets. De mannen zeiden dat ze zodanig vermomd wilden worden dat niemand hen zou herkennen, en bovendien met materiaal dat snel eraf gehaald kon worden. Ik dacht: ‘O, shit, waar ben ik nu toch in verzeild geraakt…!’ Met enige moeite heb ik me daar uit weten te lullen… [Met een bulderlach:] En toen ik weer buiten stond, wist ik niet hoe gauw ik bij mijn auto moest komen! Ik wilde nu eenmaal niet betrokken raken bij een moord of zo. Ik heb wel eens verhalen gehoord over grimeurs zijn die voor de regering bepaalde ‘klusjes’ doen. Dat vind ik best beangstigend."

In de 30 jaar die tussen Octaman en Planet of the Apes liggen, groeide het aantal personen binnen zijn team explosief: van 1 (hijzelf) naar niet minder dan 67. Zijn medewerkers betrekt hij al jaren uit de gelederen van zijn eigen bedrijf, Cinovation.

De almaar voorschrijdende ontwikkelingen op het gebied van CGI [Computer Generated Imagery] hebben niet alleen het werk van talloze special effects-experts, maar ook dat van legio grimeurs rigoureus veranderd. Voor Baker kwam deze "digitalisering" als een geschenk uit de hemel. "CGI heeft een aanzienlijk deel van het handwerk overgenomen en dat zal in de toekomst vast nog ingrijpender gebeuren. Maar ik denk dat het altijd wel neer zal blijven komen op een subtiel samenspel tussen hand- en CGI-werk.

Zelf ben ik bijzonder te spreken over CGI. Dankzij deze technologie is mijn computer mijn favoriete ontwerphulpmiddel geworden. Tekende of schilderde ik mijn ontwerpen vroeger op papier, sinds een jaar of tien maak ik ze op de computer. Voorheen wist ik niets van computers. Voor het ontwerpen per computer maak ik gebruik van Photoshop, een programma waar ik erg mee in mijn sas ben. Wat me vooral zo aan deze werkwijze bevalt, is de vrijheid die het je geeft. Maak je een tekening die er heel aardig uitziet, maar net niet datgene is wat je in je hoofd had, dan laat je het daar meestal maar bij, omdat je de zaak niet wilt verknallen. Maar maak je zo’n tekening op de computer, dan hoef je niet bang te zijn om daar veranderingen in aan te brengen, aangezien je elke versie kunt opslaan en daar weer naar terug kunt keren. Met als gevolg dat nú mijn grootste probleem is, dat ik vaak te véél variaties op een bepaald thema maak... Zo begon ik bij het ontwerpen van een demon voor The Devil’s Advocate met één idee, maar eindigde met wel 100 varianten daarop!"

Aan prijzen geen gebrek

Het najagen van een zo hoog mogelijke graad van realisme, zelfs wanneer het om niet bestaande schepsels gaat, is kenmerkend geworden voor het werk van Baker. Moest hij zich in de beginjaren richten naar de eisen van opdrachtgevers, met als gevolg veelal weinig realistische creaties, allengs kon hij zijn eigen (buitengewoon hoge) eisen gaan stellen. Dat dit vruchten afwierp, blijkt niet alleen uit de goede zaken die met tal van "zijn" films gedaan zijn, maar ook uit zijn prijzenkast, die zowat uit zijn voegen barst.

Zo ontving hij reeds als "broekie" een Emmy Award voor het verouderen van actrice Cicely Tyson tot een 110-jarige in de tv-film The Autobiography of Miss Jane Pittman (1974). Om dezelfde reden ging destijds een tweede exemplaar van deze meest prestigieuze tv-onderscheiding naar iemand die inmiddels ook al jaren aan de top van het grime- en special effects-wereldje meedraait: Stan Winston.

Verder is hem tot nu toe niet minder dan 6 keer een Oscar ten deel gevallen. Dit felbegeerde beeldje ontving hij achtereenvolgens voor An American Werewolf in London, Harry and the Hendersons, Ed Wood, The Nutty Professor, Men in Black en The Grinch. Gezien de hoogstandjes die hij voor Planet of the Apes heeft afgeleverd en de weinige concurrentie die hij waarschijnlijk te duchten zal hebben, moet het wel héél gek lopen, wil hij volgend jaar niet zijn 7e Oscar binnenhalen…

Zie voor Rick Bakers filmografie de website www.imdb.com

Ton van Rooij
SF Terra 169/170